Welkom. Wolkom.

juni 2, 2011 · Posted in Nieuws · Comments Off on Welkom. Wolkom. 

Welkom op Boeklog.nl. Wolkom op Boeklog.nl. De Nederlandse boeklog waar u terecht kunt voor boekreviews en boekennieuws.

Bekijk ook eens onze andere sites: Verhaaltjes voorlezen en Poetry alive.

Hier uw link? Neem contact op met Boeklog via onze contactpagina.

Dankzij moderne technologie is het tegenwoordig mogelijk om boeken en teksten digitaal te publiceren en te lezen. Deze digitale boeken worden ook wel e-books genoemd en worden gelezen op computers of e-readers. Dergelijke readers vergemakkelijken het lezen, zijn handig voor onderweg en kunnen meerdere boeken tegelijk bevatten. Steeds meer mensen zien de voordelen van e-books in, de populariteit ervan is dan ook enorm aan het toenemen.

Onder vuur genomen door zijn eigen mensen

mei 27, 2016 · Posted in De Geus, Recensies, Robert Haasnoot · Comments Off on Onder vuur genomen door zijn eigen mensen 

Robert Haasnoot schreef met Het laatste vaarwel een roman over liefde die opvlamt in oorlogstijd. Of over liefde die verstikt wordt door een bekrompen gemeenschap. En over de tijd, die niet alles ongedaan maakt. Met merkwaardig pratende en voelende hoofdpersonen.

Het boek begint zo: ‘Deze roman schetst onder andere de toestand in Valkenburg, Zuid-Holland, na de Duitse inval in mei 1940. De in dit boek beschreven gebeurtenissen uit die dagen zijn gebaseerd op ooggetuigenverslagen.’ Hoe realistisch ook, het Valkenburgse oorlogsdrama had aanvankelijk iets van een klucht. Toen de Duitsers op 10 mei 1940 binnenvielen stuurden ze een contingent vliegtuigen naar het militaire vliegveld Valkenburg (bij Katwijk). Dat zou een fijne uitvalsbasis kunnen zijn voor de volgende stap: de verovering van Engeland. Maar het vliegveld was nog niet af, hoewel de verkeerstoren er stond en de hangars fris waren geverfd. Het terrein was onvoldoende bemalen, zodat de Duitse toestellen tot over hun assen in de prut zakten. Einde Engelandvaart, hoe lollig. Maar er was een keerzijde: Valkenburg kwam klem te zitten tussen twee vijandige linies waar weinig lijn in zat. Een school werd noodhospitaal en een kerk krijgsgevangenenkamp, maar rode-kruisvlaggen werden genegeerd en ze werden beschoten door Duitsers én Nederlanders. Slachtoffers vielen met onthutsende willekeur. Burgers die op de vlucht sloegen werden onder vuur genomen door hun eigen mensen, omdat men zei dat Duitsers zich vermomden als Nederlandse vrouwen om hun hachje te redden.

Misgelopen geluk
Het doet bijna vertrouwd aan; de Nederlandse Tweede Wereldoorlog als een optelsom van bordkartonnen heroïek, stupide amateurisme, achterdocht en verraad. Zie Vestdijks Bevrijdingsfeest en Pastorale ’43, en Zwartboek, de film, van Paul Verhoeven. Haasnoot pakt het echter anders aan. Het laatste vaarwel begint in 1968 als de organist Albert op een avond laat achter het kerkorgel klimt om zijn frustraties van zich af te spelen. Hij blikt terug op de voorbije weken waarin Evie, zijn grote jeugdliefde uit de oorlog op bezoek kwam en weer vertrok. Hij overpeinst hun ontmoetingen, die draaiden om onomkeerbare beslissingen en misgelopen geluk. Veel gesprekken over ‘hoe het zo gekomen was’ en herinneringen aan oplaaiende liefde in een vijandige omgeving. Op 11 mei 1940 zijn Albert en Evie, samen met andere Valkenburgers, gedwongen beschutting te zoeken in het afgelegen huis van een oud-officier. Er zijn gewonden en stervenden. Dagenlang zitten ze opgesloten tussen strijdende partijen. Albert en Evie vallen voor elkaar. Maar onzekerheid, honger en verveling slaan toe. En ook de roddel over Alberts moeder, de weduwe, en de achterklap over zijn prille relatie met Evie (een dochter uit fabrikantenkringen). Zelfs als de twee een heldhaftige poging doen om hulp te halen wordt dat achteraf als verdacht gezien. Uiteindelijk bloedt de liefde dood – en leest u zelf vooral waarom. Evie vertrekt naar Utrecht en Canada, Albert ontwikkelt zich tot eigenheimer binnen de Valkenburgse gemeenschap, als bibliothecaris en organist. Hij neemt stiekem kritische boeken op in de bibliotheekcollectie en speelt bij het uitgaan van de kerkdienst orgelwerken die de dominee afkeurt. Niet echt de voorhoede van de tegenbeweging.

Aanleiding en uitwerking
Haasnoot doet geen pogingen ‘onze jongens’ belachelijk te maken of voor wandaden aan te klagen. Het laatste vaarwel draait om twee mensenlevens die worden gekraakt tussen oorlog en achterklap. De zorgvuldig uitgewerkte constructie van het boek moet helpen om dat waar te maken. Het is in feite een lange terugblik vanuit één enkel perspectief (dat van Alfred) en door de sprongen in de tijd schuren aanleiding en uitwerking van de gebeurtenissen steeds langs elkaar. Een tweede kunstgreep (in de goede betekenis van het woord) is de herhaling. Albert voelt zich opgesloten in huis met zijn beroddelde moeder, in de villa tussen de vuurlinies met roddelende dorpsgenoten, en uiteindelijk in de marge van de dorpsgemeenschap. En er is de parallel tussen de blikvernauwing van de dorpelingen en die van de Nederlandse strijdkrachten die liever een vrouw uit eigen volk doden dan een vermomde Duitser laten ontsnappen. Ook Albert gaat niet vrijuit, – maar laten we het spannend houden.

Afstand of inzoomen
Een realistisch achterdoek, een knappe compositie en een consistente uitwerking: Haasnoot beheerst zijn vak. Toch gaat er iets mis in Het laatste vaarwel  en dat zit hem in de stijl, vooral van de gedachten en dialogen van de hoofdpersonen. De confrontaties tussen Albert en zijn moeder en zijn geliefde zweven ergens tussen streekroman en emo-tv. Twee voorbeelden, geplukt van één bladzijde: ‘Zijn moeder begreep wel wat de oorzaak van zijn stugheid was, maar ze leek zich er nauwelijks iets van aan te trekken, ze hield zich zoveel mogelijk van den domme. Alleen zo heel af en toe werd het haar toch te veel en kwam het tot een uitbarsting. Wat bezielde hem toch? Waaraan had ze het verdiend dat hij zo bits tegen haar deed? Nou? Hij ging haar geen antwoorden geven die ze toch niet kon verdragen. Evenmin als hij haar ongeloofwaardig weerwoord wilde horen.’ De tweede, tussen Alfred en Evie: ‘Ze is achter hem gaan staan en legt een hand op zijn schouder. “Sorry van daarnet. Niet meer boos?” “Ik was niet boos,” zegt hij. “Fijn, want ik wil dat het goed blijft.” “Dat blijft het.” Ze geeft hem een verzoenende kus op zijn slaap. “Zullen we gaan? We maken er een mooie avond van, goed?”’ Je weet niet wat beter zou zijn geweest: iets meer afstand en ruimte voor de verbeelding, of juist verder inzoomen, totdat het pijnlijk wordt voor alle partijen, inclusief de lezer.

Afgeprijsd

mei 27, 2016 · Posted in Column, Gilles van de Loo, Harrie Lemmens, Richard Yates · Comments Off on Afgeprijsd 

Wat is literatuur nog waard dacht ik toen ik in Utrecht een tafel afgeprijsde boeken zag waarop zo’n zeventig boeken met hun ruggen naar boven tegen elkaar aan geperst stonden. Die tafel stond buiten. De boeken waren als nieuw maar over datum. Ik hoorde daar eigenlijk niet te zijn. Ik zwierf maar wat rond en keek naar die boeken die met de zachte bladerkant, daar waar het boek zich zal openen voor wie het kennen wil, steunden ze op de tafel. En ik dacht: Niet op hun buik, niet op hun buik. Gewetenloos waren ze daar gestald. Geen kant konden ze op. Maar hé, dacht ik. Komop!

De zon schemerde door het grijs. Ik was een afspraak nagekomen aan de Oudegracht en na afloop wat besluiteloos blijven rondhangen. Voor ik het wist stond ik voor de boekentafel. De afgeprijsde boekentafel. Mijn ogen vlogen over de ruggen met een snelheid die ik amper bij kon houden. Niet op hun buik, niet op hun buik, ging het door me heen en ik begon ze er één voor één eruit te halen en maakte stapeltjes waar een stuk van de tafel was vrij gekomen. Toen zag ik Het laatste kind van Gilles van der Loo die binnenkort met een derde roman bij Van Oorschot uitkomt. En ik dacht, weten ze dat wel? Weet De Literaire Boekhandel aan de Lijnmarkt wel dat Van der Loo  aan een oeuvre schrijft. Weten ze wel hoe goed hij schrijft. Dat je zo’n boek niet moet verkwanselen maar in je winkel moet houden. Je klanten aanraden. En ik vroeg me ook af: komt nooit iemand van een uitgeverij  langs om zijn eigen uitgaven te vertegenwoordigen? Zijn boeken aan te prijzen? En weet de boekhandelaar wel wat hij in huis heeft?

En toen schitterde daar het groen en geel van de cover van God is een Braziliaan van Harrie Lemmens. Een boek dat je gewoon op voorraad moet hebben wil je je klanten ter wille zijn die de Portugeestalige literatuur . Een boek vol ontmoetingen met schrijvers, politici, taxichauffeurs,… En wat dat niet een boek van Richard Yates? Yates van Revolutionary Road? Het betrof hier zijn  boek Een geval van ordeverstoring. En dat begint zo:

‘Voor Janice Wilder betekende eind zomer 1960 het begin van de tegenslag. En het ergste was, zei ze later altijd, het afschuwelijke was, dat het zomaar zonder waarschuwing leek te gebeuren.’

Zoals alles zonder waarschuwing gebeurt. Het winkelhulpje krijg opdracht alle boeken van voor, of na (willekeur lijkt me mee te spelen) een bepaalde datum uit de schappen te halen om ruimte te maken voor verse oogt. De boekhandel als boer die zijn eigen boterberg creëert en zo goed boert dat de waarde van een boek beperkt is.

Ik drentelde nog wat en kocht ze alle drie, twee om cadeau te doen en Yates voor mezelf.

Oogst week 21

mei 26, 2016 · Posted in Oogst · Comments Off on Oogst week 21 

Je kunt altijd een ekster nemen

mei 26, 2016 · Posted in Recensies, Roos van RIjswijk · Comments Off on Je kunt altijd een ekster nemen 

Roos van Rijswijk (1985) heeft met haar debuut een verrassende roman geschreven die bij herlezing steeds beter bevalt. Onheilig gaat over getroebleerde familiebanden. In dit geval over een ongeneeslijk zieke moeder en haar zoon.  Sentiment kan al gauw de overhand nemen in zo’n geval; maar niet bij Van Rijswijk. In negen hoofdstukken nemen we afwisselend kennis van het leven van de moeder, Angelique en de zoon, Miguel. Beide levens vormen twee verschillende verhaallijnen die elkaar af en toe raken maar nooit in elkaar vervloeien.

‘Vallende ziekte, vallende ziekte,’ … zingt het in het hoofd van Angelique als zij op haar zevenenvijftigste te horen krijgt dat ze kanker heeft in een ver gevorderd stadium. Niet meer te redden. Alles doet zeer. Ze komt uit een welvarende familie maar heeft nooit enige richting aan haar leven kunnen geven. Ze brengt haar tijd door met roken, eindeloos roken, veel drinken en stapels boeken lezen en porno kijken. Op haar drieëntwintigste bevalt ze na een onenightstand met een Mexicaan van haar zoon Miguel. Hij werd geboren op het toilet van de Bijenkorf. ‘Zo banaal dat je het niet verzinnen kunt, ik zocht een angoratrui en kreeg ineens ontzettende kramp. Toen kwam Miquel.’ Haar zoon leverde haar twee keer een ‘rotstreek’: de eerste was door geboren te worden en de tweede keer door naar Duitsland te verhuizen.

Een  goed boek
Voor een vrouw die in haar leven verschillende pogingen tot zelfmoord heeft ondernomen, is haar reactie op haar ongeneeslijke ziekte verrassend. Door haar therapeut Jacoba gestimuleerd, begint ze een dagboek bij te houden waarin ze zich richt tot deze therapeut, want verder heeft ze niemand. Oja, haar zus, maar die vertegenwoordigt teveel het sentimentele waaraan ze zich dan weer ergert. En Leendert is er ook nog, die voorziet haar van de hoognodige verdovend middelen en bezorgt haar zelfs een pistool  voor als ze er vroegtijdig een eind aan wil maken. Maar juist door die onheilstijding schijnt ze de impuls te voelen er iets van te maken. Op aanraden van haar therapeut, schrijft ze haar zoon een brief. (…) ze schrijft dat ze bezig is in een heel goed boek en dat ze hoopt  het einde nog te halen. Geen titel.’  Wat een toevoeging is (Geen titel) die te denken geeft.

Miguel schaamde zich al vroeg voor het disfunctioneren van zijn moeder. Als ze hem vroeger naar school bracht wilde hij een straat eerder afgezet worden zodat zij zich niet op school zou vertonen met haar dranklucht en opvallende verschijning. Op zeventienjarige leeftijd verliet hij het huis. Over zijn vader weet hij niets, alleen dat het een Mexicaan was volgens zijn moeder. Het beeld dat hij van zijn vader heeft is een man die altijd, ‘ (…) in een zandvlakte stond, in de zon, in de buurt van een cactus, zijn gezicht in de schaduw die zijn sombrero wierp.’ Geen dag gaat voorbij zonder een gedachte aan hem. Als hij zich verbeeld dat zijn vader hem ziet staan, ziet lopen of op zijn brommer ziet rijden, dan recht hij ongemerkt zijn rug. Hier blijf je als lezer even bij stilstaan: Wat doet het met een mens als die zich gezien voelt. Mooi is dat.
Hij woont sinds twee jaar in het dorpje Nieheim in Duitsland, samen met Jorge, een Spaanse jongen die op een dag in het dorp verscheen. In het dorp gaan ze door voor broers, allebei donker en een ‘Mayakop’.

Mooie zinnen
Als de ziekte zo ver gevorderd is dat alles haar vermoeit, vertrouwd ze haar dagboek toe ze dat ze altijd levensmoe is geweest. ‘Een versleten ziel, die gaat al eeuwen mee, is één keer te vaak teruggekomen uit ijdelheid en teruggefloten.’
Waarmee we gelijk een van de vele mooie zinnen van Van Rijswijk te pakken hebben. Zinnen die het verhaal diepgang geven en de personages een dimensie van stille wateren en diepe gronden. En net als je een beetje consideratie met Angelique voelt, dringt het door wat  voor type ze eigenlijk is: (…) hoe vaak ik geen kunstenares geweest ben, of een Française, een tijdlang was ik schrijver en zelfs Leendert heeft dat geloofd.’ Ook weet ze opeens niet meer zeker of de vader van Miguel ‘wel echt een Mexicaan was!’

Misschien is dat wat Roos van Rijswijk (als ze al iets wil meegeven) wil laten weten met Onheilig. Dat er een doel in het leven moet zijn, tegen dingen geschopt moet worden, zodat er iets beweegt en we contact maken met de wereld. Je wordt zowaar filosofisch van de scherp geformuleerde gedachten en stellingen in dit boek.

Vrijpostige personages
Literatuur is er ook goed in vertegenwoordigd. Miguel herinnert zich dat zijn moeder ’s nacht in de woonkamer zit te lezen en onbedaarlijk moet lachen. In een boek van Anaïs Nin is een foto achtergebleven van een negenjarig jongetje met een beugel en een T-shirt waarop het 7-up mannetje Fido Dido staat. Het kind keek schaapachtig en met blozende wangetjes in de lens. ‘In Nin!’ lachte zijn moeder slap. Dit is de mooiste aller tijden! Dit kereltje, in Anaïs Nin!’

En Jorge is de simpele ziel zoals we die kennen uit Van muizen & mensen van Steinbeck. Ook hij kan zijn ogen niet van mooie meisjes afhouden en Miguel vreest soms dat hij het katje, dat is komen aanlopen, doodknuffelt. Als hij alleen is zingt Jorge liedjes van de Duitse band Unheilig en kan hij in ontzettende lachbuien uitbarsten.
Dat is het fijne aan de stijl van dit boek, de personages veroorloven zich zo nu en dan bepaalde vrijheden waarbij het lijkt of ze uit de hand van de schrijver zijn geglipt.

Van Rijswijk is een schrijfster die werk maakt van literatuur. Met de gedragingen van haar personages geeft ze een wonderlijke psychologie van de menselijke natuur weer waar nog dagen over doorgedacht kan worden. Denk aan een vader  die ‘een woestijnlied neuriënd door een scheur in het plafond verdween.’ Of wanneer er op en dag een ekster in de woonkamer van Angelique zit en ze de hulp inroept van een buurjongen die net verlaten is door zijn vriend. Wanneer ze hem er naar vraagt, stamelt hij: ‘Het is, eh, uit, geloof ik.‘ En begint te huilen. Dan troost ze: ‘Alles komt goed. En anders kun je altijd een ekster nemen.’ Een waarlijk prachtig boek.

 

‘Niets lijkt wat het is’

mei 25, 2016 · Posted in Arie Storm, John Banville, Recensies · Comments Off on ‘Niets lijkt wat het is’ 

John Banville (1945), de Ierse schrijver won in 2005 De prestigieuze Man Booker Prize voor De Zee. Sindsdien is hij Nobelprijskandidaat en dat is niet verwonderlijk. Hij schreef maar liefst 15 romans van hoge kwaliteit.

Verwijzingen
Ook in dit boek zijn er- zoals in al zijn romans- allerlei verwijzingen. Een paar voorbeelden. De titel van de roman verwijst naar een gedicht van Wallace Stevens (1879-1965) waarin: ‘De dingen zoals ze zijn, anders worden op de blauwe gitaar.’ (…) Een zin uit The Man with the Blue Guitar uit 1937. Ga daar maar eens aanstaan zo’n motto! Maar er is ook een schilderij van Picasso, De oude gitarist uit 1903. Dat schilderij werd gemaakt door de schilder in zijn (Hoe kan het anders) blauwe periode. En uitgerekend deze periode in het leven van Picasso werd gekenmerkt door zijn verhouding met twee vrouwen, waartussen hij maar moeilijk kon kiezen. En dat is ook een thema in dit boek. Het blauwe schilderij in het atelier van hoofdpersoon en verteller, schilder Olivier Orme is zijn laatste. Hij is gestopt met schilderen.

Verder wordt Fragonard (1732-1806), de schilder, in één adem genoemd met ene Vaublin, een andere schilder. Maar enig zoekwerk levert op dat deze Vaublin nooit heeft bestaan. Banville houdt ervan ons op het verkeerde been te zetten, maar daar hoeft men zich niet door te laten afschrikken.

Drama
Zoals in alle virtuoze boeken lijkt de verhaallijn van deze roman eenvoudig.
De kunstschilder en verteller Olivier Orme is getrouwd met Gloria, een wat cerebrale saaie vrouw. Als vanzelfsprekend wordt hij verliefd op Polly, de vrouw van zijn vriend Marcus -een verwijzing naar Polly Garter, de wilde meid uit Under Milk Wood van Dylan Thomas-. Deze Marcus is klokkenmaker. De liefdesverklaring vindt plaats tijdens een autorit en gaat uit van Polly. Olivier zit achterin met zijn vrouw, Polly streelt vanaf de voorbank- zonder dat iemand het merkt- zijn knie: ‘ Het volgende waarvan ik me bewust werd, was dat er iets aan mijn knie krabbelde, en bijna stootte ik een angstkreetje uit- het was heel goed mogelijk dat er zich in de oude auto van Marcus ratten bevonden- maar toen ik naar beneden keek, zag ik het schijnsel van een hand en realiseerde  ik me dat Polly me daar vastgreep.'(…) 

Wat zich ontrolt is niets meer of minder dan een drama, maar niet in de traditionele betekenis van het woord.

Existentieel
Olivier hoopt- doordat hij gestopt is met schilderen-  meer bij zichzelf terecht te komen. Hij heeft echter een ongelofelijke levensangst. Deze uit zich in stuurloosheid, ontrouw, oneerlijkheid en kleptomanie: ‘Mijn gedachten keren weer terug naar de tube zinkwit, die ik gapte in de winkel van Geppetto’s speelgoedwinkel. Ik lijk de kwestie niet te kunnen laten rusten.‘ Toch krijgt de lezer geen hekel aan Olivier en dat is de verdienste van Banville. Hij geeft ons een inkijkje in de gedachten van zijn hoofdpersoon, die tevens de verteller is.
‘Ik schilderde altijd. Dat was mijn andere hartstocht, mijn andere drang. Ik was schilder. Ha! Het woord dat ik het eerst opschreef in plaats van ‘schilder,’ was ‘schelder.’ Een verschrijving, een vergissing. Wel toepasselijk. Eens was ik een schilder, nu ben ik een schelder. Ha! Ik zou moeten ophouden voor het te laat is!’

De bedoeling van Olivier is om existentiële zaken te gaan regelen in de tijd, die hij vrijmaakt met de vervallen schildertijd. Maar dat pakt dus helemaal anders uit. Door zijn affaire met Polly gaat deze tijd weer verloren.

Op de achtergrond speelt het feit dat het dochtertje van Gloria en Olivier op vierjarige leeftijd is overleden. Een dreun waar het huwelijk van de beide echtelieden behoorlijk veel averij door heeft opgelopen. Tussen de regels door wordt gesuggereerd dat het meisje helemaal niet door Olivier is verwekt. Het thema: ‘Niets lijkt wat het is!’ komt weer om de hoek.

Stuurloos
Het ergste in het leven van Olivier is dat hij stuurloos dreigt te raken en inschattingsfouten maakt. Hij wil zijn vriend Marcus vertellen van de verhouding met Polly, maar durft het uiteindelijk niet. En hij verlaat Gloria tijdelijk om bij Polly’s ouders in te gaan wonen. Zij willen niets van hem weten. En Banville schetst deze situatie kristalhelder: ‘Ik bracht de rest van de ochtend overal en nergens in het huis door, erop gebrand een volgende confrontatie te vermijden, zelfs op klaarlichte dag , met Polly’s getikte moeder. Ook was ik er niet erg op gebrand haar vader tegen te komen, die me naar ik vreesde vriendelijk maar beslist in een hoek zou weten te manoeuvreren en die van mij op zijn beschroomde wijze wel eens zou willen weten wat nu precies mijn plannen met zijn dochter waren, die een getrouwde vrouw was en bovendien ook eens twintig jaar jonger dan ik.’  

Uiteindelijk komen deze confrontaties er niet. De ouders van Polly zijn verslingerd aan een Duitse Prins, Frederick Hyland, die in een vliegtuigje aangevlogen komt en het hart van Polly verovert.
In zijn naïviteit denkt Olivier dat de verhouding niets te betekenen heeft, maar Polly heeft in het geniep al lang besloten er met deze Frederick vandoor te gaan . De zaken worden er niet makkelijker op wanneer blijkt, dat Gloria ook nog eens van Marcus in verwachting blijkt te zijn. Maar Marcus is met zijn auto in zee gereden en omgekomen.

We hebben 310 bladzijden mogen genieten van de prachtige taal van Banville, de schitterende verwijzingen, alles gegoten in een fraaie vertaling van Arie Storm. Men leze!

 

Harmonie voor even

mei 25, 2016 · Posted in Column, Nescio · Comments Off on Harmonie voor even 

De lente davert over ons heen. O. den Besten, Wim de Bie’s verbitterde oud-leraar Duits, werd er depressief van. Die uitbundigheid, die schaamteloze bloemen! Anderen worden euforisch. Neem Nescio. In de lente van 1953 komt zijn kleinzoontje om het leven door een ongeluk. Het wordt slechts terloops vermeld in zijn Natuurdagboek.

Op 7 april noteert hij:

‘Met de bus van half elf met Mariussi en Nelletje naar ZuidLaren. Weer: dreigend, maar later minder. ‘Niet’ over Onnen. In ZuidLaren snoei gekocht bij Hovius en in het café koffie en zij samen een fleschje rooie limonade met een rietje. Allebei naar de w.c. en ik moest Mariussi z’n bretelletjes vanachteren vastmaken in het café. Met de bus van half 12 terug (‘niet’ over Onnen). Mariussi en Nelletje stonden maar te kijken. Om 6 uur is Mariussi doodelijk aangereden op de Nieuwe Heereweg, dichtbij huis, terwijl ik in het Quintus-laantje wandelde (groote helderheid) en al door de G.G.D. naar het Academisch Ziekenhuis gebracht.’

Bedenk dat Nescio dit mogelijk pas na terugkomst in Amsterdam heeft geschreven. Hartverscheurend de details die hij de moeite van het vermelden waard vindt en die allemaal even belangrijk lijken. De route. Het weer. En, zeer karakteristiek, die ‘groote helderheid’. Zou de ontspoorde zin aan het eind een teken zijn van zijn ontreddering? Op 8 april: ‘Woensdag om half 5 in den ochtend is Mariussi gestorven.’ Verder geen woord over wat dan ook.

Vrijdag 10 april reizen hij en zijn vrouw terug naar Amsterdam. Hij vermeldt ‘een schitterend zonlicht’ in Drenthe en ook ‘een rijtje vrij grote boomen in de verte, met een groen waas, het eerste’. Hij besluit de notitie met: ‘In Groningen is in deze week overal de vogelkers prachtig in bloei geraakt’. Niets over Marius.

Op 11 april is de begrafenis.Zaterdag. Met Miep en Louis in den trein van 10.34 naar Westerveld (begraafplaats – rvd). Schitterende helderheid, warm in de zon (…) Exceptioneel heldere dag. In Amsterdam waren de forsytsia’s uitgebloeid terwijl ze in Groningen nog op hun mooist waren.In Nescio’s onvoltooide verhaal Het einde lezen we: ‘Er zijn maar vijf dingen die de moeite waard zijn (…): Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van Augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods’. Het vroege voorjaar: begin april. Marius’ dood viel in het verkeerde jaargetijde.

De dood van zijn kleinzoontje was niet de eerste voortijdige dood in zijn naaste familie. Hij had al jong een broer verloren en zijn oudste dochter was op haar drieëndertigste overleden. De Middeleeuwse wijsheid ‘Media vita in morte sumus’, door Luther zo mooi vertaald met ‘Mytten wir im Leben synd / mit dem Todt umbfangen’, was bittere realiteit voor hem.

Maar Nescio, voor wie natuurgenot veel weg had van een mystieke communio (in een recente roman wordt hij ‘de grootste natuurmysticus van de twintigste eeuw’ genoemd) wist dat ook het omgekeerde waar is. Hij kon kopje-onder gaan in de beleving van het licht, in die ‘helderheid’. Geen wonder dat het lied van Ichnaton, dat een loflied is op de vergoddelijkte zon, hem dierbaar was. Evengoed had ook hij te kampen met een pregnant besef van de alles verslindende tijd. Tussen die twee uitersten stroomde zijn religieuze verlangen en dat heeft hem het leven niet gemakkelijk gemaakt.

Soms was er even harmonie. In Najaar (1922) schrijft hij: ‘Een glimlach trekt over de gruwelijke oneindigheid en eeuwigheid Gods. Het kind speelt’.

 

Wat vliegt daar?

mei 24, 2016 · Posted in Atlas Contact, Koos Dijksterhuis, Recensies · Comments Off on Wat vliegt daar? 

In de uitstekende Vogelserie van uitgeverij Atlas Contact waren al boeken verschenen over de gierzwaluw, de grutto, de kauw, de koekkoek, de rotgans en de slechtvalk. Daar is onlangs een zevende deeltje bijgekomen, De spreeuw, van de hand van Koos Dijksterhuis, die in dagblad Trouw een dagelijkse natuurrubriek verzorgt.

Het boek is van een encyclopedische grondigheid (het is daarom jammer dat een register ontbreekt). Op basis van literatuurstudie vermeldt Dijksterhuis alles wat er maar bekend is van deze ogenschijnlijk zo gewone vogel.
Een greep uit de weelde die de lezer voorgeschoteld krijgt: spanwijdte, imitatiegedrag (tot het geluid van sluitende treindeuren aan toe), het voedsel, de kleur van het ei, het aanpassingsvermogen bij het nestelen (er zijn gevallen bekend van spreeuwen die hun nest op een schaap bouwden), de spreeuw en Mozart (KV 453), synchroonvliegen, het trekgedrag, de concurrentie met spechten en gierzwaluwen, overspel en polygamie, katten en het versieren van nestplaatsen met bloemen. Ook vertelt de schrijver over eigen waarnemingen en avonturen in het veld en doet hij verslag van gesprekken met onderzoekers.
Het boek is geïllustreerd met zwart-wit foto’s die best mooi zijn maar weinig toevoegen. Voor degenen die ‘spreeuwen verwarren met merels’, iets wat volgens de auteur nogal eens gebeurt, zullen ze hun nut hebben.

Noodklok
Uit alles blijkt Dijksterhuis’ liefde voor deze vogel. Die begon in zijn tienertijd en maakte van hem een vogelaar en een natuurliefhebber. Bijzonder enthousiast is zijn bespreking van de zang en de imitatiekunst van spreeuwen. Zijn plezier in het doen en laten van het beestje heeft Dijksterhuis gemeen met de grote Jac. P. Thijsse, die in Het vogeljaar ook uitbundig de lof zingt van, in de woorden van Judith Herzberg, de ‘frivoolkelige imitator’. Hij plaatste hem dan ook op zijn ex-libris, met als motto ‘Onbekommerd’. Maar onbekommerd mag de spreeuw dan wel lijken, hij is als zoveel van onze gevederde vrienden op weg naar een plaats op de Rode Lijst. Gebrek aan nestelplaatsen, landbouwgif, de ‘sterilisering van het landschap’ en het daaruit voortvloeiende gebrek aan voedsel, ja, zelfs libido-dodende antidepressiva in het oppervlaktewater – veel factoren maken de spreeuw het leven moeilijk. Niet voor niets was 2014 het Jaar van de Spreeuw: de noodklok werd geluid.

Helder en begrijpelijk 
Het boek is eenvoudig van opzet. Na een uiteenzetting over hoe het beestje in elkaar zit en hoe het eruit ziet, volgt de hele levenscyclus. Paarvorming, nestbouw, voortplanting, eerste en tweede leg, de levenskansen van de jongen, voedsel, groepsgedrag, de trek en tenslotte de dood. Sommige onderwerpen hebben een wel erg groot soortelijk gewicht (door een zekere overdaad aan informatie), maar Dijksterhuis schrijft mooi, helder Nederlands, waardoor geen onderwerp ontoegankelijk is.

Een stukje over de rui als voorbeeld van zowel de gedetailleerdheid als die helderheid: ‘Eerst schudt een spreeuw één voor één zijn handpennen af, van binnen naar buiten. Hand- of slagpennen zijn de veren die de vleugelpunt vormen. Als één oude veer uitvalt, is de nieuwe al in de maak, evenals de aangrenzende nieuwe veer. Eén veer is na twintig tot dertig dagen klaar en het vervangen van alle tien handpennen kost honderd dagen. Halverwege die periode begint ook de rui van de binnenste vleugelveren. Eerst de paar kleine veren die het dichtst bij het lijf zitten, de zogenoemde tertiairies. Dat gaat langzaam, het vervangen van die veren kan ruim vier weken duren en als het een week of twee bezig is, komt het middendeel van de vleugel aan de beurt: de zes armpennen’.

Dit is zoals het hoort: toegankelijk en stap voor stap, met uitleg van de vaktermen. Dijksterhuis schrijft niet alleen goed, hij is bovendien een voorbeeldige schoolmeester. Ook daarin staat hij in de traditie van Thijsse.

Het citaat laat zien hoe nauwgezet de spreeuw voor het voetlicht wordt gebracht. Nu is het verwisselen van de veren misschien iets eenvoudigs, maar neem nu het verschijnsel van de ‘magnetoreceptie’, het vermogen het magnetisch veld van de aarde waar te nemen en erop te koersen. Daarover zijn ontdekkingen gedaan op moleculair niveau. ‘Pure kwantummechanica’, aldus de schrijver, die er vervolgens in slaagt de natuurkundige verklaring voor leken uit te leggen, of daar in ieder geval een heel eind mee komt.

Drie miljoen katten
De vogeltrek met zijn onvoorstelbare prestaties is een onderwerp waar steeds meer over bekend wordt. Ook het veronderstelde vermogen onderling te communiceren is zo’n fascinerend onderwerp. Nog steeds ‘in raadselen gehuld’, aldus de auteur, maar een gebied waar in de toekomst ongetwijfeld ontdekkingen zullen worden gedaan waar het verstand bij stilstaat.
En dat is per saldo wat een boek als dit je bovenal doet beseffen: dat de levende natuur niet alleen verrukt maar ook verbluft, en dat de diersoort mens, die zich zo aandoenlijk inspant zijn medeschepsels te doorgronden, nog maar aan het begin staat van kennis en begrip van zelfs de nietige spreeuw.

Maar de mens doet meer. De moderne landbouw is al genoemd, en neem nu eens onze katten. In Nederland alleen lopen er tussen de drie en vier miljoen rond, een verdubbeling sinds 1980. Een flink aantal is verwilderd. De krant meldt dat ze verantwoordelijk zijn voor de dood van 20 miljoen beschermde dieren per jaar. Dat zal wel een ruwe schatting zijn, maar laat de cijfers eens goed tot u doordringen wanneer u uw poezelige Felix op schoot neemt. Dijksterhuis windt er geen doekjes om: ‘Er is één roofdier dat juist uitstekend in staat is zijn prooien uit te roeien en die dat ook voortvarend doet: de huiskat.’ De ambivalentie van onze omgang met de natuur; we vernietigen waar we van houden.

Behalve bioloog is Dijksterhuis dichter. Geen wonder dus dat hij aandacht besteedt aan de spreeuw in de poëzie (o.a. Hillenius, Herzberg en Stip), de spreeuw bij Jacob van Maerlant, de herkomst van het woord ‘spreeuw’ en enkele andere taligheden. Alles even boeiend. Met zijn boek heeft hij een bijdrage geleverd aan de groeiende rij Nederlandse vogelboeken van hoog niveau. Van harte aanbevolen.

Vergeten dichters

mei 23, 2016 · Posted in Column, Kees Fens, P.C. Boutens, Richard Minne · Comments Off on Vergeten dichters 

Als lezer trek ik springerige sporen door het landschap der boeken. Gister lag ik in bed met het laatste en een van de weinige interviews die de Duitse filosoof Martin Heidegger gaf aan Der Spiegel in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het ging over zijn flirt met het nationaal- socialisme in de jaren dertig waarvan hij nooit duidelijk afstand nam. Nu is de stijl van Heidegger vaak nogal ondoorgrondelijk, al zal hij dat waarschijnlijk als een bewijs zien van zijn theorie van het verlies van de grond van het leven – dat ik het contact met het Zijn kwijt ben.

Eergisteravond lag ik te lezen in de verzamelbundel van Arnon Grunbergs pseudoniem Marek van der Jagt. Grunbergs pseudoniem lag al lang op de leesstapel. De voetnoot van Grunberg in de Volkskrant is elke ochtend weer een kickstart van de geest en zijn stijl en pointe zijn vrijwel altijd scherp. Totaal anders dan Heidegger, maar wel altijd smakelijke maaltijden van geestelijk voedsel bereidend. Zo veel boeken die ik wil lezen, op de trap naar boven ligt nog De ingenieurs van de ziel van Frank Westerman, of de liefdesgedichten van Du Perron, Nietzsches De antichrist, enkele essaybundels van Piet Meeuse en van Rob Hartmans: Vaarwel dan! Intellectuelen en hun illusies.

Ook lonkt weer een ander boek uit 2003 over (bijna) vergeten dichters van de letterkundige A.L. Sötemann: Dichters die nog maar namen lijken. Over onder andere Richard Minne, P.C.Boutens, Jan van Nijlen, Henriëtte Roland-Holst en haar neef, Adriaan Roland Holst, de Prins der dichters: ‘Eens en dat vele jaren liep deze dichter hoog te schrijden door de Nederlandse literatuur’ (Kees Fens). Van de week kocht ik ook nog een tweede boek van Joris van Casteren over dit thema, In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters. Ik verheug me ook op deze interviews, hopelijk net zo ‘vermakelijk’ als zijn bundel over vergeten schrijvers, hoe melancholisch de teneur meestal ook is.

Of misschien juist daarom wel. Ik houd me nooit zo bezig met bestsellers en net verschenen boeken. Zal vast door mijn beroepsdeformatie als antiquaar komen. Mijn begrip van tijd wordt meestal niet begrensd tot het hier en nu, maar gaat wel eens verder terug naar vroeger en soms ook wel eens in de vage dimensie van vergetelheid. In het land van een miljoen schrijvende mensen, is de zee van nietigheid een vol, warm bad van zwetende, tikkende lijven. ‘Toen hij eindelijk verkilde en zich neerlegde op het doodstil terras vlogen er meeuwen over zonder kreten. Zij vlogen over naar wat eenmaal was, naar lief en leed en naar voorgoed vergeten’ (A. Roland Holst, Voorlopig, 1976). Ik vergeet U niet hoor, Prins der Dichters.

 

Een boek om te proeven

mei 23, 2016 · Posted in Else Hoog, James Salter, Recensies · Comments Off on Een boek om te proeven 

In Nederland brak James Salter (1925-2015) pas in 2013 door bij het grote publiek met de roman Alles wat is die hij voltooide op 88-jarige leeftijd. Uitgeverij De Bezige Bij melkte dit succes meteen uit door de roman Lichtjaren (1975) in vertaling te brengen, die velen als zijn beste werk beschouwen. Nu is Spel en tijdverdrijf (1967) opnieuw verschenen, in de Nederlandse vertaling van Else Hoog uit 1997. Het is een prachtig boek, waarin de schrijver een spel speelt met verbeelding en werkelijkheid.

Het hoofdverhaal gaat over een jonge Amerikaan Phillip Dean die naar Europa komt naar het provinciestadje Autun waar hij een liefdesrelatie aangaat met de Française Anne-Marie. Het verhaal wordt verteld door een naamloze verteller die in Autun verblijft in het huis van vrienden. Hij beweert dat hij het verhaal over de twee geliefden van Dean zelf heeft gehoord, maar het is duidelijk dat hij ook veel verdicht heeft en waarschijnlijk heeft hij het verhaal geheel bedacht. Maar dat is verder niet van belang. Het gaat om het verhaal.

Phillip ‘is verbonden met de kortstondigheid der dingen’, hij leeft bij de dag, op de bonnefooi, is zelfbewust en sterk, machtig in zijn verhouding tot het winkelmeisje Anne-Marie: een ongecompliceerde, toegewijde, tikkeltje ordinaire, sensuele vrouw. Ze leven zich uit in een volledig bevredigende seksuele relatie.

Zwaard van Damocles
We volgen het paar, dat rijdt in een open Delage, door Frankrijk. Een Delage is een zeer luxe personenauto, die al niet meer gemaakt werd in de tijd waarin het verhaal speelt (begin jaren zestig). Ze bezoeken allerlei Franse steden waar ze in hotels overnachten, copieus dineren, feesten en van elkaar genieten (sufneuken). Maar al snel wordt duidelijk dat er een noodlot boven dit paar hangt. ‘Dat weet je instinctief. Het hangt boven hun beider hoofd als een onuitgesproken vonnis.’ En: ‘Voor Dean is ieder uur hartverscheurend omdat het dichter bij het einde is.’ Dergelijke vooruitwijzingen door de verteller verpesten het verhaal overigens niet. Ze versterken de beleving van het moment, de uren dat ze (nog) samen zijn en elkaar seksueel dronken voeren. De hoofdpersonen zijn zich niet bewust van de afloop, terwijl de naamloze verteller die al aankondigt.

De verteller verzint en bedenkt het leven van deze twee mensen. Een ideaal leven, waarop hij afgunstig is. Hij is zelf niet zo vrij, zo trots op zijn lichaam, zo zelfbewust, levend van de hand in de tand, bietsend en schooiend om geld van vrienden en familie, als zijn held Phillip Dean maar een wat oudere, burgerlijker figuur, voor wie ‘de jaren verdorren als bladeren.’. Hij is afgunstig op het paar dat op een kamer ligt als ‘vissen in de schaduw van een oever’ en als ‘vogels in een nest’, beschermd en afzijdig van de wereld.

Zorgvuldig taalgebruik
Het bijzondere van deze roman is de stijl. Iedere zin die Salter schrijft voegt wat toe aan het beeld dat je van een persoon hebt, maar neemt er ook iets van weg. De persoon wordt niet vastgelegd en een relatie niet gedefinieerd, maar langzamerhand onthuld en bedekt ineen. Na lezing van het boek weet je alles en niets en dat dwingt je om het boek opnieuw te lezen, te proeven, weg te leggen en opnieuw te pakken.

James Salter schreef niet veel romans en zag het schrijven ervan als een enorme uitputtingsslag. Hij begon als schrijver van filmscripts waarin iedere zin raak moet zijn. Waarschijnlijk schreef hij geen bladzijden achter elkaar − snel in een jaar weer een boekje en op naar de volgende beurs van het Fonds der Letteren − maar sleep hij elke zin als een diamantbewerker en zocht hij net zo lang naar woorden tot hij het juiste woord gevonden had. Dat kost tijd: wachten, mijmeren en toeslaan op het juiste moment. Dat zou zijn schrijfstijl verklaren: kort en beeldend.

Salter gebruikt veel dialoog, geeft weinig beschrijvingen waarom iemand wat doet, maar veel handeling en dat maakt de scènes waarin Phillip en Anne-Marie de liefde bedrijven zo goed, omdat er niet beschreven wordt waarom ze iets doen (het dus), maar hoe ze het doen tot in alle details. Gebaren, gelaatsuitdrukking, manier van kleden: alles doet er toe bij Salter. Hij noemt de dingen bij de naam. Een lang citaat:

‘Tegen de tijd dat hij de kussens onder haar glanzende buik heeft geschoven is ze zo nat dat hij met één verrukkelijke beweging naar binnen glijdt. Ze beginnen langzaam. Wanneer hij bijna klaarkomt haalt hij zijn pik eruit en laat hem afkoelen. Dan begint hij opnieuw, stuurt hem met zijn ene hand, loodst hem als een kabel naar binnen. Ze begint met haar heupen te bewegen, te gillen. Het is alsof hij zich aan een krankzinnige wijdt. Ten slotte haalt hij hem er weer uit. Terwijl hij afwacht, rustig, weloverwogen valt zijn oog telkens op glijmiddelen – haar gelaatscrème, flessen in de armoire. Ze leiden hem af. Hun aanwezigheid is beangstigend, als bewijsmateriaal. Ze beginnen nogmaals en ditmaal houden ze niet op totdat ze het uitgilt en hij zichzelf voelt klaarkomen met langzame, sidderende stromen en het gevoel dat de top van zijn pik tegen bot stoot. Ze liggen uitgeput naast elkaar, alsof ze zojuist een reusachtige boot aan land hebben getrokken.

“Dit was de heerlijkste keer,” zegt ze uiteindelijk. “De heerlijkste.”’

Lezen en herlezen
‘Goeie boeken moet je langzaam lezen. Daar wil je niet doorheen schieten. Je wilt ze in zekere zin proeven,’ zei James Salter in een korte documentaire over zijn werk. Het is of Salter over zijn eigen werk spreekt. Iedere zin van Spel en tijdverdrijf wil je proeven, iedere zin herlezen en als je de roman uit hebt wil je opnieuw beginnen. Niet omdat het boek zo spannend is. Spanning maakt maar een beperkt onderdeel van de charme uit. James Salter maakt door zijn prachtige stijl personen levensecht, begerenswaardig, afschrikwekkend, maar bovenal raadselachtig. Het genot van Phillip en Anne-Marie wordt (na)voelbaar en zichtbaar. De precieze stijl houdt deze scènes in evenwicht.

Het bijzondere van dit boek is dat het gaat om een tragisch verhaal, waarvan de lezer weet dat het slecht zal aflopen zonder dat het pijn doet. Als het boek gesloten is blijft de herinnering aan een opwindend samenzijn van twee mensen, zoals ieder mens dat ooit een of meerdere malen in zijn leven ervaart of hoopt te ervaren. Voor velen, zoals de naamloze verteller, blijft dit een droom, waaraan we deze roman te danken hebben. Hierop is het citaat van toepassing dat Salter gebruikte voor Alles wat is: ‘Er komt een moment dat je/je realiseert dat alles een droom is,/en dat alleen de dingen die geschreven zijn/een kans hebben om echt te zijn.’

Wat na lezing overblijft is de herinnering aan een verhaal over de liefdevolle omgang van man en vrouw.

De vertaling van Else Hoog is prachtig.

They are the Last – John Berger

mei 22, 2016 · Posted in John Berger, Video · Comments Off on They are the Last – John Berger 

Prachtig gedicht van, en voorgedragen door John Berger.

Volgende pagina »